Irene Siekman

SOCIAAL THEATERMAKER

Stichting nummer drie

Eerder deze week werd ik voor de derde keer oprichter van een stichting.

De eerste was destijds Stichting Werklicht. Theatermaker Bart van Lieshout en ikzelf richtten deze op om theaterproducties te maken, en uiteindelijk mondde dat uit in een complete sociaal-culturele club, met wekelijkste activiteiten, een enthousiaste club vrijwilligers en twee panden in beheer.

Helaas zijn die panden (één ervan was het kleinste theater van Rotterdam, met gordijntjes en al) inmiddels gesloopt. Bart en ik zijn onze eigen weg gegaan en anderen hebben het stokje overgenomen. Een deel van de activiteiten (waaronder het Open Podium) draait nog steeds succesvol door en dat vind ik stiekem wel echt heel tof.

De tweede was en is Stichting Poëziebus, opgericht samen met dichter Joz Knoop om de eerste rit van Poëziebus mogelijk te maken. Inmiddels zitten we aan editie vier en zijn we niet meer weg te denken uit de podiumpoëzie.

Eerder deze week zag Stichting Schaap op de Noordpool het licht. Theatergroep Irene & Co, waarvan ik de vaste regisseur ben, wordt daar onderdeel van en daarnaast is er ruimte voor het maken en ondersteunen van allerlei andere theaterproducties, waarbij de focus natuurlijk zal liggen op sociaal theater. Theater met sterk maatschappelijk component.

Medeoprichter was dit keer Emmy Masselink, één van de speelsters van Irene & Co. Emmy speelt al sinds de tweede voorstelling ‘Wij en Ik’ in de groep. Dat was in 2011, dus we hebben sinds die tijd al heel wat samen meegemaakt op de speelvloer. Ik hoop dat we daar nog veel jaren aan vast kunnen plakken en dat de stichting me gaat helpen ook mijn andere (grootschalige) theaterplannen eindelijk vorm te geven.

Inmiddels heb ik ook redelijk wat expertise opgedaan met betrekking tot het werken met en het oprichten van stichtingen. Mocht je daar vragen over hebben, geef gerust een gil.

Dagelijkse Kost

Met mijn theatergroep Irene & Co maak ik minimaal eens per jaar een voorstelling. Bijna altijd in december en die maand nadert met rasse schreden.

Dit jaar hebben we lang geïmproviseerd met allerlei materiaal, totdat we uiteindelijk een thema vonden: Eten. Meer in het bijzonder de rol die eten speelt in onze samenleving.

In het project ‘Geven, Nemen en Delen’ hebben we dat verder uitgewerkt tot een voorstelling. We hebben mini-voorstellingen gegeven op verschillende locaties en veel gepraat met het publiek. Dat alles heeft geleid tot een basisverhaal.

Er zijn spelers gestopt, maar ook veel nieuwe bijgekomen. Het stuk is weer eens heel anders geworden dan ik voor ogen had en dat is nog steeds een goed ding.

Ook een goed ding, hoewel spannend, is het feit dat er geen woord gesproken wordt. Alles moet duidelijk worden uit spel, er is geen uitleg. Dat maakt de voorstelling óók geschikt voor publiek voor wie de Nederlandse taal een drempel is; iedereen kan volgen wat er gebeurt.

Muzikant Ronald Rote verzorgt de soundtrack. Wie eerder voorstellingen van mij zag, weet dat muziek daarin altijd een belangrijke rol speelt en kent mijn voorkeur voor eclectische soundtracks. Omdat we nog volop aan het repeteren zijn, heb ik nog niets gehoord. Gelukkig is Ronald muzikaal gezien écht van alle markten thuis, dus ik ben er vrij zeker van dat ‘Dagelijkse Kost‘, want zo heet het, niet voor zijn voorgangers zal onderdoen op dat gebied.

De rest van de crew bestaat vrijwel volledig uit mensen met wie ik eerder heb samengewerkt. Ik ben dan ook dolgelukkig dat beeldend kunstenaar Theo Huijgens de decors weer voor zijn rekening neemt. Ik ken weinig mensen die zo onbegrensd creatief zijn als Theo op dat gebied. Dat we elkaar af en toe wel achter het behang kunnen plakken (zo gaat dat in een goede vriendschap én in een goed creatief proces) hoort daar natuurlijk gewoon bij.

Geheel tegen mijn gewoonte in, is het verhaal vrij simpel en de uitvoering tamelijk rustig (ook inhoudelijk trouwens; ik kon voor het eerst het ‘kindvriendelijk’ vakje aanvinken bij het aanmaken van het Facebook-event). Tradities zijn er om gebroken te worden, zeker op creatief vlak.

Eén verhaallijn, geen ingewikkelde plottwists en  één rol per speler. Dit keer is alle aandacht voor het spel, de muziek en de vormgeving.

De komende weken komt alles bij elkaar. Spannend…

Epische regie

Soms hebben collega-dichters prachtige megalomane plannen. Soms worden die werkelijkheid en mag je een klein beetje daarbij helpen.

Mark Opfer, die ik tijdens de eerste editie van Poëziebus heb leren kennen, rondt dit jaar zijn opleiding op de Schrijversvakschool af met een episch gedicht; ‘Bob – Het vuile werk’. 92 pagina’s telt het – een niet on-ambitieuze onderneming, om het eens zacht uit te drukken.

Afgelopen dinsdag had hij de presentatie gepland en afgelopen zondag heb ik hem geholpen om die (samen met actrice Rosa Schogt) voor te bereiden. Best een klus, zeker omdat het voordragen van 92 pagina’s tekst naar schatting zo’n anderhalf uur in beslag neemt en dat best veel is als er vooral geluisterd moet worden.

We hebben er in overleg voor gekozen om zo weinig mogelijk theatrale ingrepen te doen en vooral dicht bij de kern te blijven (de tekst) en manieren te zoeken om die, met wat ik theatraal bewustzijn noem, aan te kleden. Op die manier wordt het publiek nét iets meer bij de hand genomen en heeft het houvast aan de duidelijke structuur (Mark had zelf al filmpjes gemaakt om de verschillende delen van de tekst af te bakenen).

Het was fijn om te merken dat ik echt iets heb kunnen betekenen in het proces, zeker omdat dit voor mij iets is waar ik graag meer mee zou doen. Het is tenslotte een kruispunt van twee passies (theater en poëzie).

Mark schreef er dit over:

Irene Siekman heeft me geholpen bij het op toneel zetten van mijn podiumgedicht. Het was ontzettend waardevol om een regisseur naar de tekst te laten kijken. Haar doeltreffende vragen hebben me geholpen om dieper in de onderliggende betekenis van de tekst te komen. Dingen die voor mij vanzelfsprekend waren werden zo expliciet. Het helpt als de regisseur in kwestie dan ook nog eens een dichter is, zoals bij Irene Siekman het geval is. Ze werkt ook nog eens superlekker samen: geconcentreerd, respectvol en met een gedegen vakkennis.

Daar kan ik alleen maar heel blij mee zijn (ik heb het ook toegevoegd aan de aanbevelingen-sectie op deze website).

Organisatoren en programmeurs die eens wat anders willen (en dúrven), kunnen contact opnemen met Mark via Facebook.

 

Twee keer expert

De afgelopen periode was ik tot twee keer toe ‘expert met publiek’. Een interessante ervaring die niet eens zo veel anders bleek dat ‘expert op de bank’. Ik had me van tevoren best nerveus gemaakt, maar dat bleek gelukkig nergens voor nodig.

Maandagnacht twee weken geleden was ik te gast in het radioprogramma ‘Dit is de Nacht’, om iets te vertellen over werken met spelers met een verstandelijke beperking. Naast mijn eigen theatergroep, Irene & Co, waar we inclusief werken, geef ik ook af en toe les bij Theater Babel Rotterdam (voorheen rotterdamscentrumvoortheater / Maatwerk).

In de studio zat ook een manager van Brownies en Downies, een lunchroom-keten die werkt met personeel met een verstandelijke beperking. Het was leuk om ervaringen te delen en te merken dat het vooral neerkomt op geduld en wederzijds respect. Mooi toch?

Luister de uitzending hier terug.

 

Daarnaast heb ik afgelopen zaterdag voor het eerst deelgenomen aan een paneldiscussie over de podiumpoëzie, een onderwerp waar ik na drie jaar Poëziebus best één en ander over kan vertellen en waar ik ook een mening over heb.

Het debat werd georganiseerd door Perdu en was onderdeel van het Woorden Worden Zinnen Festival in de Tolhuistuin.

Tussendoor: Liefhebbers van woordkunst raad ik bij dezen aan om eens een kijkje te nemen bij de evenementen die deze club enthousiaste mensen in Amsterdam, Rotterdam en Dordrecht organiseert.

Ik zat om de tafel met Babs Gons (spoken word artiest en wegbereider voor het genre) en Yannick Moyson (organisator van diverse podia in Vlaanderen en jongerenwerker). Dean Bowen (dichter) modereerde het gesprek.

Het gesprek ging over de noodzaak om samen te werken binnen de podiumpoëzie, maar ging óók over serieus genomen worden als genre, artiest, organisatie.

Babs was positief gestemd (er is al een hoop bereikt), ik was zelf vooral kritisch (er moet nog zoveel gebeuren). Dat is deels een karaktertrek (ik kijk graag naar wat er beter kan en hoe je dat kunt bewerkstelligen) en deels verwant aan organisatievolwassenheid (we zijn met Poëziebus tenslotte ‘pas’ drie jaar bezig). Yannick gaf wat meer inzicht in de verschillen met België, die groter zijn dan je in eerste instantie zou denken. Zo staan het bij het Vlaams Fonds voor de Letteren sinds een paar jaar ook slamdichters op de auteurslijst –  waar je in Nederland nog steeds gepubliceerd moet zijn om jezelf professioneel te mogen noemen.

Ik vond het een erg fijn gesprek, waarvan ik vooral heb geleerd dat geduld een schone zaak is (en volhardendheid een noodzakelijke eigenschap).

Kort en goed waren het twee bijzondere en leerzame ervaringen. Zo’n expert die leert nog eens wat…

 

 

Typen op Koningsdag

Vorige week was het Koningsdag. Normaal gesproken scharrel ik dan wat over de vrijmarkt of zit ik in het gras met een koud drankje. Een prima manier om je dag te besteden, zeker als het lekker weer is.

Soms zie je tussen de kraampjes allerlei creatieve spelletjes en diensten. Een paar jaar terug in Groningen zag ik een groep studenten bijverdienen door zich tegen betaling met eieren te laten bekogelen. Het was een tamelijk populaire bezigheid.

In Utrecht zat een man met een schaakbord. Je kon geld inzetten en als je hem versloeg, dan won je een bepaald bedrag. Hij had minder klandizie, maar ongetwijfeld heeft hij een paar mooie potten gespeeld.

Eigenlijk is Koningsdag óók een prachtige gelegenheid om jezelf als artiest te laten zien. De vraag is alleen hoe je jouw kunst vertaalt naar zo’n gelegenheid zonder er afbreuk aan te doen. Een goed concept is daarom nodig.

De afgelopen jaren heb ik met mijn typemachine op de Museumnacht in Brussel gezeten. Bezoekers gingen tegenover me zitten en ik stelde ze een aantal vragen. Aan de hand van de antwoorden typte ik vervolgens ter plekke een gedicht.

Ik vond dat niet alleen ontzettend tof om te doen, maar merkte ook dat de bezoekers er erg blij mee waren. Op een gegeven moment stond er zelfs een rij.

Collega-dichter Sven en ik klopten met het idee aan bij de organisatoren van ‘Royal Roller Disco’, Pacific Enterprises Unlimited. Zij waren meteen enthousiast en hadden een mooi plekje voor ons gereserveerd (met catering en kleedkamer). Wij hadden ons voor de gelegenheid mooi aangekleed.

Omdat het concept in Nederland wat minder gebruikelijk is dan in België, kwam het wat langzaam op gang, maar tegen het eind van de middag won de nieuwsgierigheid het van de terughoudendheid en begonnen we het druk te krijgen. Mond-tot-mond reclame deed zijn werk.

Er kwam veel moois voorbij; van gedichten voor een geliefde tot een ode aan een overleden ouder. Het is bijzonder om te zien hoe dichtbij zo’n gedicht komt en hoe ontroerd mensen zijn als je de juiste snaar raakt.

Het werkte, de vertaalslag (natuurlijk is dit een heel ander métier dan thuis gedichten schrijven met meerdere betekenislagen en daar eindeloos aan schaven) was geslaagd. Ik denk dat de connectie met het publiek/de lezer daarin de sleutel is geweest.

Eén van de krachtige elementen van poëzie is de mogelijkheid om bepaalde gevoelens en ervaringen te verwoorden. Dat is tegelijkertijd ook een groot gevaar; ‘particulier’ is geen aanbeveling voor een gedicht. Een interessante tegenstelling: Juist door de poëzie particulier te maken, hebben we mensen bereikt met, en mogelijk ook gewonnen voor, de poëzie.

Ik kan er allerlei wijsheden op plakken, maar een ‘klant’ verwoordde het heel treffend: “Jullie hebben me écht iets gegeven”. Volgend jaar zijn we er weer!

In de tussentijd ben ik als gedicht-op-maat-typende-dichter beschikbaar voor allerlei evenementen. Neem gerust contact op als je interesse hebt.

 

Foto: © Rio Holländer

Een volledig nieuwe website

Twee maanden heeft hij platgelegen, mijn website. Of eigenlijk waren het er twee; eentje voor mijn werkzaamheden als theatermaker, en eentje voor mijn poëzie. Ik had ook twee visitekaartjes, twee nieuwsbrieven, twee facebookpagina’s en twee logo’s.

En dan waren er nog de losse projecten. Mijn achterban zag door de bomen het bos niet meer en ikzelf eigenlijk ook niet.

Totdat ik, midden in de nacht, tot inzicht kwam. Ik ben eigenlijk gewoon theater aan het maken. Altijd. Ook als ik niet regisseer.

Daarbij hanteer ik een brede opvatting van het begrip theater, ontleend aan één van mijn favoriete theaterboeken (ik parafraseer ‘m even heel vrij): Alles dat je nodig hebt om theater te maken is een man en iemand die naar hem kijkt.

Feitelijk: een podium en iemand die naar het podium kijkt. Al mijn werk concentreert zich om dat podium. Het creëren van letterlijke en figuurlijke podia en daar soms ook zelf op gaan staan.

Het was ineens helder. Er is dus nu één website (en de rest wordt ook langzamerhand samengevoegd), waarop je alles kunt vinden wat ik doe.